.
.
 ... De mijnbouw
.
ijdlijn
.
 
< < < Gebruik de pijltjes of de schuifbalk om door de tijdlijn te scrollen > > >
 

Het kolengebied

  .  
   
  Steenkoolbekkens door Duitsland, Nederland, België en Frankrijk  
  .  
 
Het Zuid-Limburgs kolengebied is onderdeel van een veel groter bekken dat zich uitstrekt over Noord-Frankrijk, België, Limburg, Aken en het Duitse Ruhrgebied. In Limburg loopt het bekken van de Duitse grens van het zuidoosten naar het noordwesten tot aan de Maas. De steenkoolwinning in Nederland vond plaats in twee regio's: de Oostelijke Mijnstreek en de Westelijke Mijnstreek. Vanaf de 12e eeuw werd steenkool gedolven in de omgeving van het dal van de Worm nabij Rolduc. Bij octrooi van Maria Theresia ontving de Abdij Rolduc op 2 januari 1723 het recht tot het exploiteren van de steenkool in het gebied van Kerkrade, dat later bekend werd als Domaniale mijn. Onder de mijnwet van 1810 van Napoleon konden particulieren concessies aanvragen voor de exploitatie van delfstoffen, en tussen 1852 en 1926 werden door vier particuliere bedrijven negen nieuwe koolmijnen aangelegd. Bij wet van 24 juni 1901 werd beschikt dat in Zuid-Limburg kolenmijnen van staatswege zouden worden ontgonnen. Naast de particuliere mijnen in Limburg ontstonden zo de staatsmijnen Wilhelmina (Terwinselen-Kerkrade, 1906), Emma (Hoensbroek-Heerlen, 1911), Hendrik (Rumpen-Brunssum, 1915), Maurits (Geleen-Lutterade, 1926). Het gasgehalte van de kolen in Limburg neemt toe van het zuidoosten naar het noordwesten. De gasarme huisbrandkolen zijn met name te vinden in de concessies van de particuliere mijnbouwbedrijven en de Wilhelmina in de Oostelijke Mijnstreek. Het kolengruis werd bij de mijnen verwerkt in briketfabrieken. De kolen die uiteindelijk niet voor verkoop geschikt waren, werden gebruikt door de mijnbouwbedrijven in de eigen elektriciteitscentrales voor de energievoorziening.

In de periode na de tweede wereldoorlog waren de Zuid-Limburgse mijnen van groot belang voor de wederopbouw van Nederland. In de jaren zestig werden deze mijnen steeds onrendabeler en onder het Kabinet-Cals werd in 1965 de sluiting van alle Nederlandse steenkoolmijnen aangekondigd. In 1974 sloot de Oranje Nassaumijn I in Heerlen als laatste. De staatsmijn Beatrix (Vlodrop) is daardoor nooit tot exploitatie gekomen. De NV Staatsmijnen werd voortgezet als chemiebedrijf DSM (Dutch State Mines) en tussen 1989 en 1996 geprivatiseerd.

 
 
 
     
  Verleende Steenkool-concessies:  
.
1 --Reserve t.b.v. de Staatsmijnen
2 --Staatsmijn Maurits
3 --Staatsmijn Emma
4 --Staatsmijn Hendrik
5 --Oranje-Nassau mijn IV
6 --Oranje-Nassau mijn III
7 --Oranje-Nassau mijn I
8 --Oranje-Nassau mijn II
9 --Staatsmijn Wilhelmina
10 Willem-Sophia mijn
11 Laura en Vereeniging Laura mijn
12 Laura en Vereeniging Julia mijn
13 Domaniale mijn 
14 Staatsmijn Beatrix 
 
Kaart: Steenkool-concessies
 
Concessiepaaltjes "Oranje-Nassau" en "Carl"
 
  .  
 

Steenkoolwinning in Duitsland

Al in de middeleeuwen vond steenkoolwinning plaats in de rivierdalen van de Worm, de Inde, de Ruhr en de Saar. De uitvinding van de stoommachine maakte diepbouw mogelijk in de negentiende eeuw. De steenkoolwinning piekte in 1957 waarna de productie langzaam afnam. Begin 2012 waren er nog vijf steenkoolmijnen in productie in Duitsland: 1: Bergwerk Ibbenbüren, Ibbenbüren, 2: Zeche Auguste Viktoria, Marl (voorgenomen sluiting 2015), 3: Bergwerk Prosper-Haniel, Bottrop, 4: Bergwerk West, Kamp Lintfort (gesloten december 2012), 5: Bergwerk Saar, Saarlouis (gesloten juni 2012).

 
.
 
  Copyright © DeMijnstreek.nl 2005 - 2015 Disclaimer Contact Cookiebeleid  
Deze website werd verzorgd door: