De Neuprick

Kaart concessie Neuprick

Neuprick 1645 - 1904

e Neuprick was een kolenmijn in Bleijerheide, gemeente Kerkrade, en behoorde tot de Pannesheider Mijnvereniging. Van de Neuprick liep een ondergrondse ventilatieverbinding naar de mijn Voccart in Straß (Herzogenrath, Duitsland).

Algemeen Handelsblad 25-01-1883

In de omgeving van Kerkrade worden meerdere oude mijnen genoemd, o.a. de Prickkoul, St. Nikolas, de Feldkoul, de Gouvernementsmijn van Rolduc en de mijn Nulland. De concessie voor deze laatste mijn werd op 4 fructidor an 7 (= 21 augustus 1799) aangevraagd. In 1808 werd de aanvraag om concessie voor de mijn Nulland afgewezen. Het terrein werd met een gedeelte van de Prickkoul toegewezen aan de Gouvernementsmijnen.

Uit de rest van de Prickkoul, samen met St. Nicolas en de Feldkoul, ontstond de mijn Neuprick, groot 5 ha. (Akte van concessie, februari 1808). Het was de tweede mijn in Zuid-Limburg; en de eerste particuliere mijn. Eigenaar was de Duitse maatschappij "Pannesheider-Bergwerk-verein".

De mijn Nulland mocht doorwerken tot zij schadeloosstelling had gekregen. In 1808 (bij keizerlijk decreet van 2 februari) werd nog een tweede mijnconcessie verleend en wel de "Bleyerheide"; groot 27 ha. De exploitatie ervan was zeker tot in 1821; daarna heeft de ontginning er circa 30 jaar gerust. Sinds 11 juni 1846 werd de ontginning van de Neuprick gestaakt. In 1850 ontstond er onenigheid met de "Bleyerheide" over de ontginning van de laag Steinknipp.

In november 1852 werd, na de nodige herstellingen in de galerijen, de ontginning hervat. Ook was men toen van plan om samen te gaan met de "Bleyerheide". Vanaf 1853 was er een regelmatige productie. Die productie was toen 1089 ton. De schacht van deze mijn heette de Catharina-schacht (102,30 m. A.P. ).

"Der Neue Prick"

Nadat het voor de kolengraverijen destijds, door grote watertoevloed, technisch steeds ingewikkelder werd, hadden de kolengravers (Köhler) niet meer de technische en financiële middelen om zeker en lonend te kunnen blijven werken. Daarom sloot men zich vanaf de 15e eeuw vaak aan bij zogenaamde kolengraversgemeenschappen of sociëteiten aan. Een van de belangrijkste gemeenschappen in deze is wel de wethoudersfamilie "Prick". Het waren de "Prickköhler" (Prickkolengravers), die met 11 personen op de landereien van de abdij Kloosterrade (later Rolduc), het oude steenkolenveld "Prick" bewerkten. Dit gebeurde door het afgeven van een erfpenning aan het klooster in de tijd van 1645 tot 1741. Hierna trok Abt Rauschauw de rechten van de kolengravers in, om hierna zelf de leiding over de kolengraverij naar zich toe te trekken.

In 1796 werd tijdens de Napoloentische tijd, onder de Franse bezettingsmacht, het gehele koolgraverijenbezit geconfisqueerd en onder militair toezicht geplaatst. In deze tijd werd er consequent roofbouw gepleegd. Dit betekende voor de "Prick-mijn" (Prick-koul), alsook voor veel andere mijnbouwgezelschappen, het voorlopige einde van hun werkzaamheden.

Vanaf 28 juli 1791 gold het Franse "Mijnbouwrecht" in de door Frankrijk bezette gebieden. Naar dit recht kregen mijnbouwgeinteresseerden zoals Hugo Winkens, Bernard Loiff en Henri Griefgens, op grond van Keizerlijke bevoegdheid van 2 februari 1808, een concessie voor de duur van 50 jaren, voor de winning van steenkolen in het veld "Prickoul". Hiermee was de "Nieuwe Prick" (Der Neue Prick) geboren. Deze lag echter meer op Nederlands gebied en was door de oude markt, door de staatsgrens afgesneden. De kolenproductie liep terug. Grote technische problemen kwamen daar nog bij. De oude Prick-mijn was in 1808, met 420 arbeiders, de belangrijkste kolenmijn in het Wormgebied. Met behulp van 2 haspels werd er dagelijks zo'n 480 ton kolen gedolven. Hierna echter ging het, op het gebied van technische ontwikkeling, bergaf. Nu kwam Josef Schiffers bij de onderneming en werd uiteindelijk eigenaar van de mijn. In 1829 verkocht al snel de helft van zijn aandeel aan Charles James Cockrill. Deze bouwde een stoommachine en installeerde deze in de bestaande schacht. Deze stoommachine bleek echter veel te zwaar, verbruikte veel te veel kolen en was derhalver niet geschikt voor grotere dieptes.

In 1838 werd op nog geen 30 meter afstand van de Domaniale Mijn de Catharinaschacht afgediept, die 1 jaar later de kolenlaag "Merl" bereikte, bij een diepte van 120 meter. Ook hier waren er weer veel problemen met de watertoevloed. In 1843 verkocht eigenaar Schiffers de rest van zijn aandeel aan de Pannesheider Bergwerks - Verein (Pannesheider Mijnbouwvereniging), die op 20 juni 1842, bij besluit van de koning van Pruisen, Friedrich Wilhelm IV, een Naamloze Vennootschap werd.

In 1847 werd de concessie "Blijerheide", door eigenaar Charles Winkens aan de Pannesheider Bergwerks - Verein verkocht. Hiermee was het gehele kolenveld "Prickoul en Bleijerheide" onder een eigenaar verenigd. De kolenmijnbouw werd tenslotte in 1852 weer hervat.

Op 22 november 1855 verleende de minister van Binnenlandse Zaken machtiging (no.154, 6e Afdeeling Nijverheid) om de steengang op 209 el diepte in oostelijke richting voort te zetten. Die gang was verbonden met een steengang van de Duitse mijn Neu Voccart. Hierdoor stroomde het water van de Neuprick naar de Neu Voccart en werd daar opgepompt. De Catharina-schacht werd toen een luchtschacht.

In de steengang werden op 5 november 1856 ijzeren hekdeuren geplaatst, om smokkelen tegen te gaan. In 1857 werd begonnen met een andere steengang als verbinding met de Catharina-schacht. In 1858 had deze gang de schacht nog niet bereikt. In 1859 zette men de werkzaamheden met de steengang naar de Catharina-schacht voort. En in 1860 waren er herstellingen aan die schacht zelf. Van 1861 t/m 1867 werd de productie onderbroken. Er hadden toen alleen onderhoudswerkzaamheden plaats. Zoals boven vermeld, waren er in 1852 plannen om samen te gaan met de "Bleyerheide". In 1860 waren er onderhandelingen om de Neuprick en de "Bleyerheide" over te doen aan het "Wurm Gesellschaft". Maar pas in 1883 werden beide mijnen verenigd onder de naam Neu-Prick-Bleyerheide.

De Tijd 26-01-1883

De beide concessies waren samen 85 ha groot. Zij stond onder beheer van de Eschweiler Bergwerk Verein (Pannesheider Mijnenvereeniging). In 1899 leverde zij ruim 46.000 ton kolen. De grootste productie werd bereikt in 1903. Toen passeerden 61.880 ton steenkolen de schacht. In 1904 werd nog 35.200 ton getrokken met een totale bezetting van 163 man. In 1904 stegen de exploitatiekosten in verband met de aanhoudende watertoevloed zodanig, dat een lonende afbouw van de resterende kolenlagen niet langer mogelijk bleek. In augustus van dat jaar werd het bedrijf stopgezet en de schacht van de "Bleyerheide" werd dichtgegooid. Ook werd in 1904 de verbindingsgang met Neu- Voccart dichtgemetseld. In 1960 werd de concessie "Neu-Prick" (toen 85 ha.) aangekocht door de Domaniale Mijn Mij. N.V. voor de prijs van ƒ 1.500.000,-- en werd door deze mijn geëxploiteerd.

De mijn Neuprick had 7 verdiepingen:

66 m. verd.        + 102,30 m. A.P.
90 m. verd.        + 78,40 m. A.P.
122 m. verd.      + 46,10 m. A.P.
170 m. verd.      -2,20 m. A.P.
212 m. verd.      -41,40 m. A.P.
235 m. verd.      -66,80 m. A.P.
270 m. verd.      -98,20 m. A.P.

In de mijn Neuprick werd op circa 15 posten de kool met de hak bewerkt. Horizontale mijnbouw werd pas in de laatste jaren toegepast, nl. na het afdiepen van de schacht. De afbouw had aanvankelijk plaats van het 200 m. niveau van waaruit het veld met dalingen, zgn. "Gesenker" werd ontsloten.

Het vervoer in die dagen geschiedde met paarden. De kolenlorries werden door paarden over de hellende steengangen naar de schacht getrokken. Bovengronds werden de kolen in 7 soorten gezeefd en vervolgens in een smalspoortrein via de huidige Pricksteenweg en de Nieuwstraat naar het station te Kohlscheid vervoerd. Die "treinen" bestonden uit anderhalve meter hoge lorries die door paarden (meestal 6 of 7) getrokken werden. Het transport naar Kohlscheid was een monopolie-kwestie voor de drie gebroeders Leuchter te Kerkrade; zij hadden daarvoor 35 paarden op stal staan. Zij transporteerden niet alleen de kolen van de Neuprick, maar ook die van de Voccart. Voor een "Zug", meestal 15 lorries van een ton, werd hen 5 Mark betaald.

In Kohlscheid werden de kolen verladen in normale wagons en verder naar de afnemers vervoerd. De afstand naar Kohlscheid, ongeveer 7 km, werd in anderhalf uur afgelegd. De paardenstal van de familie Leuchter stond destijds aan de Nieuwstraat. Een eigen smederij zorgde voor stevig hoefbeslag. Behalve de kolen transporteerden de Gebr. Leuchter ook incidentele "vrachtjes" voor de beide mijnen, zoals ketels van ca 35.000 ton.

Het voltallig personeel van de mijn Neu-Prick in 1884

Daarvoor moesten 20 paarden in het gareel komen. In verband met het kleine wagenpark stond ondergronds in de Neuprick het vervoer stop wanneer 50 wagens bovengronds in het vervoer waren. Via een speciale seinpaal werd dan de Voccart gewaarschuwd om lege wagens te sturen zodat het kolenvervoer in de Neuprick weer normaal door kon gaan.

In 1902 kwam de elektrische tramlijn van Aken naar Herzogenrath in bedrijf met een zijtak naar de Neuprick. Dit betekende voor de paardentractie het einde. De kolen werden voortaan op brede platte wagens over deze tramlijn naar Kohlscheid vervoerd. De 35 paarden werden op een openbare verkoop verkocht. De bovengronders van de Neuprick kregen dagelijks enkele "kiebels" warm eten uit het casino van Kohlscheid. Wat er overbleef, ging naar de werklieden ondergronds. Het was verboden om ongewassen de mijn te verlaten. Op de Neuprick had men dan ook een waslokaal met 5 waskuipen: één voor de Meester-Opzichter, één voor de opzichter en drie voor de arbeiders. Een sleper verdiende op de Neuprick een Mark per dag. Werd men op 19-jarige leeftijd "aangespannen", dan verdiende men 1,90 Mark per dag. Een houwer kon per dienst 2,80 tot 3 Mark verdienen. Wanneer men aan de directeur, een zekere mijnheer Hild, beloofde om een maand lang geen sterke drank te gebruiken, kon men op een Mark toeslag rekenen.

In 1904 "verzoop" de Neuprick. Een gedeelte van de mijnwerkers ging werken op de Voccart. Een ander deel kwam terecht op de Domaniale Mijn te Kerkrade. De gebouwen van de Neuprick werden later grotendeels afgebroken. Op de Pricksteenweg stonden in 1954 nog twee huizen waarin destijds het loonbureau en de smederij gehuisvest waren. Ook waren toen nog over twee huisjes op het Prickbos, waarin zich o.m. het kantoor van de Meester-Opzichter (Vaarstieger) bevond. De naam Prickbos duidt nog de plaats aan waar eertijds deze mijn gelegen heeft.

De mijn Voccart (Foto: Aachener Rivier)

De mijn Voccart

De mijn Voccart is een voormalige steenkoolmijn in het stadsdeel Straß in Herzogenrath, Duitsland.

De steenkoolwinning stond tot het einde van de 18e eeuw onder controle van de Abdij Rolduc. In de 19e eeuw kwam de productie in handen van de Pannesheider Bergwerksverein die in 1861 werd overgenomen door de Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbau im Wurmrevier die in 1907 in de Eschweiler Bergwerksverein werd opgenomen. In 1907 bedroeg de steenkoolproductie 73.000 ton. De steenkoolmijnbouw in Straß duurde tot 1937.

Ventilatietunnel van de mijn Neuprick naar de mijn Voccart

Over de exacte locatie van de, net over de grens gelegen, Voccart-mijn, bestaat veel onduidelijkheid. Veel bronnen melden een foutieve locatie en niet correcte positiegegevens.

Het team van De Mijnstreek slaagde erin, om oude, met de hand getekende kaarten, in te passen, in een foto, gemaakt m.b.v. Google-Maps. Hieruit kan men de exacte locatie van de mijn, inclusief de locatie van de mijnschacht, aflezen.

Geschiedenis

Voor de Neuprick bestond reeds de Prickoul, waar sinds 1645 kolen werden gewonnen. De groeve was genoemd naar de Akense familie Prick die het recht tot kolenwinning van de abdij Kloosterrade (later bekend als Rolduc) pachtte. De pacht liep tot 1741 waarna de abdij de rechten om kolen te winnen introk om zelf de kolenwinning te gaan leiden. In 1796 werd de abdij door de fransen ontbonden en de monniken vertrokken. In Bleijerheide werden in 1808 twee concessies uitgegeven die de ondiepe kolen exploiteerden. De Prickmijn was tot 1846 productief.

De mijn Neuprick (Foto: KVL Kerkrade)

In 1852 werd in Maastricht de naamloze vennootschap Pannesheider Mijnvereniging opgericht met als zetel Kerkrade die tot doel had de mijn Prick opnieuw te ontginnen onder de naam Neuprick. De eigenaar was de duitse Pannesheider Bergwerksverein die in 1841 was gesticht, aandeelhouders waren onder andere de Eschweiler Bergwerksverein en Adele Cockerill, de laatste erfgename van de Eschweiler steenkoolmagnaat James Cockerill.

Neuprick was in bedrijf van 1852 tot 1 september 1904 en had maar één schacht, de Catharina, met een diepte van 235 meter. Dit had als nadeel dat de luchtverversing niet optimaal was omdat de schacht vertikaal in tweeën moest worden gesplitst: de ene helft was voor de luchtaanvoer en de andere helft voor de luchtafvoer. In 1855 werd daarom een ondergrondse verbinding aangelegd met de naastgelegen Voccartmijn op Pruissisch grondgebied, die in eigendom was van de Duitse Pannesheider Bergwerksverein.

Om de zo ontstane onderaardse smokkelroute tegen te gaan, werd al snel in 1856 op de rijksgrens een ondergronds hekwerk geconstrueerd waarvan de twee sleutels bij de kerkraadse douane lagen. De economische activiteit werd volledig vanuit de Voccartmijn geleid.

De Duitse eigenaar Pannesheider Bergwerksverein werd in 1861 overgenomen door de Vereinigungsgesellschaft für Steinkohlenbau im Wurmrevier, de Nederlandse N.V. bleef als rechtspersoon bestaan. In 1883 werd de Bleijerheideconcessie bij de Neuprickconcessie gevoegd. De mijn werd in 1904 gesloten vanwege uitputting en zeer grote wateroverlast. De concessie van de naburige Domaniale mijn werd in 1960 uitgebreid met die van de kleine mijn Neuprick (85 ha).

De tegenwoordige straatnaam Pricksteenweg in Bleijerheide verwijst naar de oude mijn. Op de plaats van de mijngebouwen is het buurtpark Prickbos aangelegd waarin de contouren van de voormalige gebouwen nog zijn te herkennen. Op de plaats van de Catharinaschacht ligt een herinneringstegel.

Tegel boven de voormalige Catharinaschacht

De mijn Neuprick (Foto: KVL Kerkrade)