Rondom de mijn | Sm. Wa

Rondom de Staatsmijn Wilhelmina

Ooit een initiatief …… nu een Rijksmonument

et eerste initiatief om in Zuid-Limburg een Botanische Tuin aan te leggen, dateert al uit de midden jaren dertig. Het plan van de toenmalige Zuid-Limburgse Tuinbouwvereniging Heerlen (de huidige KMTP) voor realisatie op de Molenberg in Heerlen, werden echter door het Heerlense college afgewezen. Na contacten met het Fonds voor Sociale Instellingen (FSI) van de Staatsmijnen en de belangeloze medewerking van de parochie in de Kerkraadse wijk Terwinselen kreeg het plan realiteitswaarde.

In 1938 kreeg de tuin- en landschapsarchitect John Bergmans opdracht van de Staatsmijnen voor het ontwerp van de Tuin. Rond een kledingbedrijf is een rotsmuurtuin ontworpen, die door middel van een verbindingspad om de begraafplaats heen leidde naar het tweede ontwerp: de Engelse landschapstuin. In deze landschapstuin werden door Bergmans ook een vijver en een vaste plantenborder opgenomen. In zijn beplantingsschema’s hield Bergmans rekening voor de opbouw van een rijk, botanisch plantenassortiment.
In 1945 ontwierp Bergmans de kinder-speelplaats en nadat in 1950 door de parochie een stuk grond werd afgestaan, werden beide gedeelten geheel in het ontwerp van de landschapstuin opgenomen. Het in 1950 geschonken paviljoen (ontwerp van Woningbeheer der Staatsmijnen), door Bergmans oorspronkelijk gepland bezijden de hoofdpoort, werd op verzoek in 1952 geplaatst bij het kruispunt St. Hubertuslaan/Singelweg (het paviljoen is ook nu nog in de Tuin in gebruik: het huidige “theehuisje”).

In 1962 werd de rotsmuurtuin afgebroken vanwege de mogelijke uitbreiding van het kledingbedrijf (Macintosh) en verplaatst naar de oostzijde van de vijver.
Met de naderende sluiting van de kolenmijnen in de zestiger jaren, werden alle “bedrijfsvreemde bezittingen” door de Staatsmijnen afgestoten.
Na jaren van verpaupering is de Tuin, op initiatief van het Natuurhistorisch Museum en met aanbevelingen van de universiteiten van Utrecht, Wageningen en Nijmegen, in 1972 overgedragen aan de gemeente Kerkrade. Op 11 oktober 1973 werd het beheer overgedragen aan de Stichting Botanische Tuin Kerkrade.

De Tuin is sedert 1998 een Provinciaal Monument en sinds november 2000 een Rijksmonument, vanwege de cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een culturele en sociaal-economische ontwikkeling. Architectuurhistorische waarden ontleent de Tuin aan het bijzondere belang voor de geschiedenis van de tuinarchitectuur: als voorbeeld van het oeuvre van tuinarchitect John Bergmans; wegens de esthetische kwaliteiten van het ontwerp en de grote variëteit aan plantenassortimenten.

 

Tuin- en landschapsarchitect John Bergmans

John Bergmans werd op 6 juni 1892 in Antwerpen geboren. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog in dienst van het Belgische leger, maar vertrok naar het neutrale Nederland. Hij deed allereerst praktijkervaring op bij kwekerijen in de omgeving van Haarlem. Vervolgens had hij een dienstverband bij Royal Tottenham Nurseries te Dedemsvaart, Turkenburg te Bodegraven en J.H. Faassen-Hekkens te Tegelen.

John Bergmans overleed op 24 september 1980 te Oisterwijk. John Bergmans was vanaf 1927 lid van de Nederlandse Dendrologische Vereniging (NDV) en van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten. In Nederland is hij vooral bekend geworden door zijn boek: “Vaste planten en rotsheesters” (1924), waarvan een tweede druk verscheen in 1933 en een derde in 1939. Daarnaast publiceerde hij nog negen andere boeken over planten en tuinen en schreef vele artikelen in verschillende tijdschriften. John Bergmans had vele internationale contacten en ontving in 1973 The Veitch Memorial Medal van de Royal Horticultural Society.

Limburgsch Dagblad 28-07-1938

De botanische tuin in Terwinselen in 1959

Bergmans ontwierp ruim drieduizend tuinen, parken en recreatieparken, voornamelijk in Nederland, maar ook in België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. Bekende ontwerpen zijn de Arboreta in Kalmthout en Essen, het Dierenpark in Tilburg. In Zuid-Limburg de Botanische Tuin in Kerkrade, het Schutterspark en het Openluchttheater in Brunssum evenals het Steinerbos in Stein.

De tuinen van Bergmans laten zich typeren door het gebruik van een uitgebreid sortiment aan vaste planten, rotsplanten en heesters, waarvoor hij gedetailleerd uitgewerkte beplantingsplannen opstelde.

In zijn ontwerpen hield hij rekening met reeds aanwezige bomen en veelvuldig paste hij hoogteverschillen toe. Het padenverloop in kleinere tuinen was doelgericht en rechtlijnig; in grote tuinen en parken maakte hij echter gebruik van slingerende paden, met een verharding van natuurlijke materialen. Met name in rotstuingedeelten maakte hij gebruik van flagstones, tegen elkaar aanliggend en met een rechtlijnige begrenzing. Een van Bergmans’ grootste gaven was het creëren van “doorkijkjes”, waardoor men het gevoel krijgt dat de Tuin veel groter lijkt, dan deze in werkelijkheid is. (Bron: botatuin.nl)